Wim van den Berg

De geschiedenis van de smederij en het bijbehorende woonhuis gaat ver terug. In de achttiende eeuw wisselt De Lindeboom verschillende keren van eigenaar, maar op een tekening van Jan van Diepenem uit 1641 is in de bocht bij de Holevoet al bebouwing getekend, zodat het niet onwaarschijnlijk is dat de geschiedenis van De Lindeboom nog verder teruggaat.

Een smederij heeft in die tijd een belangrijke functie, want er zijn nog nauwelijks machines. Veel ijzeren voorwerpen worden door de smid gesmeed. Het beslaan van paarden behoort ook tot zijn werkzaamheden. De hoefijzers smeedt de smid zelf. Het paard wordt vastgezet in de hoefstal, waarbij hij aan de voor-, zij- en achterkant wordt begrensd door houten balken. Door ijzeren kettingen (soms touwen) kunnen de hoeven eenvoudiger opgetild worden. De kettingen of touwen gaan eenmaal om het been en worden dan op de houten balk getild om dan de ketting nogmaals om het been en de houten balk te draaien. De paarden kunnen niet meer voor- of achteruit. Zo kan de smid zijn werk veilig doen. Bij De Lindeboom is in de hoefstal die voor de smederij staat, plaats voor twee paarden. De hoefstal met afdak is na werktijd een ontmoetingsplek voor dorpsgenoten waar vanalles met elkaar wordt besproken. In 1892 leidt één van deze gesprekken tot oprichting van muziekvereniging Caecilia.

Hendrik Berendse wordt in 1919 de nieuwe smid in De Lindeboom. Hij vraagt een vergunning aan om de smederij en het woonhuis te verbouwen. De verkeersintensiteit in ons dorp neemt dan al toe en de bocht bij de Holevoet waarin de smederij en de hoefstal staan, moet verruimd worden. Berendse krijgt daarom geen vergunning om te verbouwen. De gemeente besluit in 1923 zelfs een deel van het woonhuis en de smederij af te breken, zodat er ruimte ontstaat om een flauwere bocht in de weg te creëren. Ter compensatie ontvangt Hendrik Berendse 2.250 gulden, die gezamenlijk wordt betaald door de KNAC (automobielclub), de ANWB, de landelijke overheid en gemeente Scherpenzeel. Naast het afbreken van een deel van De Lindeboom, moeten er ter plaatse ook bomen wijken. Voor de hoefstal is geen plaats meer. Daarmee verdwijnt een karakteristiek dorpsbeeld uit Scherpenzeel.

[WEGVERBETERING] In de Kampioen van 16 november 1923 wordt over de verruiming van de bocht bij de Holevoet het volgende geschreven:
‘Het vorig jaar om dezen tijd ongeveer maakten wij melding van het door het gemeentebestuur van Scherpenzeel ontworpen plan ter verbetering van een gevaarlijke bocht in den Rijksstraatweg in de kom dier gemeente bij den Holevoet. Overeenkomstig de aanwijzingen van onze Wegen-Commissie werd een aldaar staande smederij gesloopt, een aantal boomen geveld en de vrijgekomen grond gebruikt voor de verruiming van de bocht. Bovendien droeg onze Bond in de kosten dezer verbetering voor f 200,- bij.’

De hoefstal, ook wel travalje genoemd, is gelukkig behouden gebleven en heeft een plaats gevonden in het Openluchtmuseum in Arnhem. Door bemiddeling van baron Taets van Amerongen wordt de hoefstal in 1923 voor f 50 door het Arnhemse museum aangekocht. De vervoerskosten van Scherpenzeel naar Arnhem bedragen f 11. De hoefstal staat daar nu al bijna honderd jaar. Bij de hoefstal in het Openluchtmuseum wordt de volgende tekst en uitleg gegeven:

[TRAVALJE SCHERPENZEEL] 'Een travalje is een paardenhoefstal die hoort bij een hoefsmederij of gewone smederij waar paarden werden beslagen. Travaljes stonden in de smederij zelf of erbuiten, al dan niet voorzien van een afdak. De naam travalje is via het Middelnederlandse ‘Travaelge’ afgeleid van het Latijnse ‘trepalium’, een uit drie balken bestaand (folter)werktuig. Deze travalje die ruimte biedt aan twee paarden, werd in 1923 aangekocht, in 1925 in het museum herbouwd en in 1991 overgebracht naar de huidige plaats op het museumterrein.'
In de meidagen van 1940 wordt smederij De Lindeboom grotendeels verwoest. Hendrik Berendse verkoopt de grond en wat nog over is van het gereedschap in 1941 aan de heer Hastrich, toenmalig eigenaar van het tegenoverliggende hotel De Witte Holevoet. Hij laat er twee 'wederopbouwhuizen' op bouwen, die hij verhuurt aan dokter Renken en meester Verkerk. Pas na de oorlog zal de smederij worden voortgezet aan de Willaerlaan. Daar is de smederij (zonder hoefstal) tot 1988 in gebruik geweest. Het smeden had allang daarvoor plaatsgemaakt voor het bewerken van metaal op een modernere wijze. Over de plek waar ooit De Lindeboom heeft gestaan, raast nu het verkeer dat gebruik maakt van de centrumroute door ons dorp.